Ik weet niets van ze. Niet hoe ze heten, niet waar ze wonen. Toch voelen ze voor mij vertrouwd, want ze zijn er altijd. Het is een mooi beeld, die drie broers naast elkaar in De Kuip. Ze verschillen in leeftijd en in lengte, maar met het gezette postuur, de geblokte hoofden met identieke gelaatstrekken en de kort geschoren grijze baarden zijn het onmiskenbaar broers. Ze zien er alle drie gesoigneerd uit.
De broers zitten naast elkaar, de grootste in het midden. Ze reizen niet samen naar het stadion, want kort voor de aftrap komen ze gescheiden van elkaar de tribune op. Een van hen draagt drie glazen bier, voor elke broer een. Tijdens de wedstrijd wordt er weinig gesproken. Dit zijn mannen van ‘geen woorden maar daden’. Ze hebben enkel oog voor het spel. Haast onbeweeglijk zitten ze daar, als sfinxen gehouwen uit Rotterdams graniet. Als Feyenoord scoort, juichen de broers niet. Vanbinnen, ja.
Als Feyenoord verliest, kijken ze stoïcijns voor zich uit. Hun harten bloeden in stilte.
Vlak voor rust staat een van de broers op, loopt de tribune af en keert even later terug met drie broodjes hamburger, voor ieder een. In de rust gaan ze staan, alle drie met het rechterbeen iets naar voren, onwetend van de perfecte symmetrie in hun ongeoefende choreografie. Ze kijken op hun telefoon, waarschijnlijk naar de tussenstanden bij de andere wedstrijden.
Begin dit jaar kom ik van een afspraak in België. Onderweg naar huis stop ik bij Van der Valk Hotel Vianen om iets te eten. Als ik de trap oploop naar het restaurant zie ik een van de broers. Hij komt met een groep mensen, collega’s of klanten gok ik, de trap af. Als wij elkaar passeren, tik ik hem even aan. “Hey, Feyenoorder.”
Hij kijkt mij verbouwereerd aan. “Dat klopt, ja.”
“Vakkie B. Met je broers.”
Hij lacht, maar er is geen tijd voor een gesprek.
“Tot zondag”, zeg ik.
De zondag erna wint Feyenoord na een 0-2 achterstand met 4-2 van FC Utrecht. De Kuip gaat uit zijn dak, de broers vertrekken geen spier.
Frans
