Mijn collega en ik zijn nog maar net begonnen aan de presentatie aan een grote verzekeraar, als de telefoon in de vergaderkamer overgaat.
Het is een zomerdag in 1997. De ochtendzon valt langs de lamellen en vleit zich in witte stroken op de vergadertafel. Vandaag pitchen wij ons voorstel voor een nieuw relatiemagazine aan de klant. Als we de opdracht krijgen, is dat voor ons bureau een serieuze stap vooruit.
De eerste keer dat de telefoon overgaat, denk ik aan een vergissing. Deze telefoon gaat nooit. Als de oproep blijft aanhouden, vraag ik de aanwezigen mij te excuseren. In het scherm zie ik dat de oproep afkomstig is van Kirsten, onze officemanager.
Ik neem op.
“Met Frans.”
“Ik heb telefoon voor jou.”
“Ik ben in bespreking. Is het dringend? Wie is het?”
“Gerrit. Het is dringend, zegt hij.”
Ik kan zo gauw niets bedenken dat zo dringend is dat Gerrit mij ervoor op mijn werk belt. En al helemaal niet dat ik ervoor moet worden gestoord tijdens een presentatie aan een klant. Als het niet kan wachten, moet het wel echt heel dringend zijn.
“Oké, zet ‘m maar even door.”
“Met Frans.”
“Yo Frans! We hebben ‘m, hoor!”
“Uh sorry, wat bedoel je?” Ik voel de ogen van de deelnemers aan de vergadering in mijn rug priemen.
“Cruz! Julio Cruz. Ik hoor het net van Angela. Het staat op Teletekst.”
“Oké, dat is mooi. Dank je wel. Ik bel je later vandaag terug.”
Ik hang op en loop terug naar mijn plek aan de vergadertafel. Ik voel het ongemak bij mezelf en bij de aanwezigen aan tafel die zich afvragen waar deze onderbreking over ging. Ik geloof niet dat ik de situatie beter maak als ik het nieuws deel dat Julio Cruz heeft getekend bij Feyenoord. Dat doe ik dan ook niet.
Na de bespreking kijk ik op internet en inderdaad, we hebben ‘m.
Een week later belt de klant. Even later kan ik mijn collega’s heuglijk nieuws melden: “We hebben ‘m, hoor!”
Frans
