Het is weer lekker druk bij de Volendammer vishandel waar ik mijn wekelijkse portie vette vis haal. Ik sta al even te wachten als ik zie dat eigenaar Tom wat in een bak grabbelt. Hij haalt er een papiertje uit en wendt zich tot de vrouw achter mij: “Zegt u het maar, mevrouw!”
“Eén grote portie kibbeling, hier opeten. En twee harinkjes meenemen, alsjeblieft”, hoor ik haar zeggen.
Ze is net aan komen wandelen, terwijl ik al stond te wachten. Toch wordt zij eerder geholpen. Vreemd.
Even later grabbelt Plat opnieuw in de bak, haalt er een papiertje uit en wendt zich tot een man die net van zijn fiets stapt: “Zegt u het maar, meneer!”
“Twee lekkerbekken kabeljauw, meenemen. Met saus.”
“Ik dacht dat ik aan de beurt was”, zeg ik.
Tom kijkt op het briefje dat hij net uit de bak haalde en schudt het hoofd: “Nee hoor, die meneer is aan de beurt. Ik heb eerlijk geloot.”
“Eerlijk geloot? Maar dat is toch juist helemaal niet eerlijk?!”, antwoord ik. “Ik stond hier al.”
Om mij heen hoor ik instemmend gemompel.
Tom kijkt me aan en zegt dan: “Het is ook nooit goed. Wat is er nou eerlijker dan een loting? Dat doet jouw cluppie toch ook met kaarten voor de bekerfinale?!”
Ik kijk om me heen en spreid mijn armen: “Als je het eerlijk wilt doen, is loten het laatste wat je doet. Een loting berust op toeval: iedereen heeft evenveel kans. Of je hier nou een kwartier staat of een minuut. Dat is dus hartstikke óneerlijk. Je kunt ons beter helpen op volgorde van aankomst.”
“Maar dan maak ik toch verschil tussen de ene en de andere klant?”, zegt Tom.
“Dat klopt”, zeg ik. “En dat is hartstikke eerlijk.”
Frans
