In elk elftal heb je er wel een. Zo’n speler die geen last heeft van wedstrijdspanning en die tot kort voor de aftrap grappen maakt. Of het stadion nou vol zit of niet. Of het nou een oefenwedstrijd is of een finale. Zo’n speler die altijd in is voor een geintje. Voor wie andere spelers vaak op hun hoede zijn, want de kans is groot dat deze grapjas jou op zijn verjaardag een moorkop aanbiedt, die na jouw gretige hap gevuld blijkt te zijn met scheerschuim. Of hij plakt een paar zoute haringen onder je autostoel. Verstopt je autosleutels. Knipt de tenen uit je sokken. Naait je broekspijpen dicht en knipt de mouwen van je overhemd. Of hij schijt in je spiksplinternieuwe sneakers. Of hij belt je op en doet zich voor als je autodealer met het dringende verzoek de volgende ochtend om half acht je auto te brengen voor een spoedinspectie in verband met explosiegevaar.
Het zijn de grappen waarvan de rest van de wereld zich afvraagt wat er in hemelsnaam leuk aan is en het heeft een naam: voetbalhumor. Voetbalhumor blijkt vaak te zijn voorbehouden aan enkele of zelfs maar één speler in een team. Zo’n speler was Paul. Zijn toenmalige medespelers herinneren hem als grapjas en gangmaker. Het legioen herinnert hem als onvermoeibare middenvelder. In gesprekken tussen supporters komt wel eens een speler ter sprake van wie ik denk: oh ja, die hadden we ook nog! Bij Paul is dat anders. Voor mij is Paul onvergetelijk, want Paul is uniek. Paul, ik zal je altijd herinneren als de geboren Rotterdammer, die opgroeide op Varkenoord en via FC Utrecht in De Kuip belandde om voor zijn jeugdliefde Feyenoord te spelen. En nu, jaren later, werk je bij SC Cambuur, de club die net zo stoer is als jij, met je woeste baard.
Betanke foar alles, Paul! 😉
Frans
Deze column verscheen in de special van Hand in Hand over Paul Bosvelt
