Ik herinner me nog het debuut van Robin van Persie in Feyenoord 1. Niet eerder zag ik in De Kuip een speler debuteren van wie zoveel klasse afdroop. Oké, vooruit, na Zier Tebbenhoff dan.
Het tegenovergestelde gebeurt ook: dat je meteen ziet dat een speler er niks van kan en dat dat keer op keer wordt bevestigd. Ik noem geen namen, want ik heb hier maar driehonderd woorden.
Soms heb ik het mis. Zoals met Julio Cruz. In zijn eerste wedstrijden bij Feyenoord viel hij nog het meest op door ongeïnteresseerd over het veld te sjokken en veelvuldig op zijn kont te zitten. Met een blik vol onbegrip over het onrecht dat hem ten deel was gevallen als een tegenstander weer een duel had gewonnen. Later liet ‘El Jardinero’ zien dat-ie best een aardig balletje kon trappen.
Een andere speler die er weinig van kon, daar was ik nadat ik hem een paar keer had zien spelen wel van overtuigd, is Luis Sinisterra. Mijn jongste zoon dacht er anders over. Gido Vader ook. Zij waren lovend. Onbegrijpelijk, want die Sinisterra kon er echt he-le-maal niets van. Dacht ik. En wat zijn we nu zonder Sini?
Toen Feyenoord afgelopen zomer op de laatste dag van de transfer window Cyriel Dessers huurde, dacht ik aan een grap. Een hele slechte. En zie, die dekselse Dessers scoort in de competitie en de Conference League belangrijke doelpunten. Liefst in blessuretijd. In meer opzichten blijkt hij een speler waar je als supporter van droomt: hij is er trots op het Feyenoord-shirt te dragen, hij houdt van De Kuip, van het Legioen en hij werkt zich de tandjes.
Feyenoord huurt Dessers van KRC Genk met een optie tot koop. Hij moet €2,8 miljoen kosten. Een schijntje voor een scorende spits. Waar het geld vandaan moet komen, weet ik niet, en misschien heb ik het mis, maar ik zeg: halen!
Frans
