Ik heb me wel eens afgevraagd waar dat Feyenoord-fanatisme in mij vandaan komt. Je weet wel, dat gevoel dat je soms pijn doet en boos maakt.
Mijn vader heeft me opgevoed met Feyenoord, maar hij was op voetbalgebied een stuk redelijker. Hij kon nog wel eens iets aardigs zeggen over onze aartsrivaal. Dat-ie ze heel aardig vond spelen tegen Atletic Zusemmezo of Hapoel Hutsefluts.
Ik wilde het niet eens hóren, laat staan dat ik het uit mijn mond kon krijgen. En ik had al helemááál niet gekeken. Het is mijn zwarte kant, ik geef het toe. Verder ben ik best een redelijk mens, doorgaans.
Soms denk ik terug aan mijn Feyenoord-petje. Zo’n katoenen petje met een opstaande klep. Zo’n wielrennerspetje. Langzaam is-ie van de tribunes verdwenen. Uitgestorven. Als jochie had ik er eentje van Feyenoord. Ik droeg het als ik met mijn vader en zus naar De Kuip ging. Ook als we niet naar De Kuip gingen, trouwens. Gewoon thuis of op straat. Er stond ‘Feijenoord’ op en dus droeg ik het met trots. Ik was een jaar of tien toen een onbekende jongen op straat het petje van mijn hoofd griste en ermee vandoor ging. Wég petje. Tranen.
Een paar uur later kreeg ik het via een vriendje terug. Hij had het petje in ons dorp ergens op straat zien liggen. Dat wil zeggen: wat er van over was. Het waren door vuur aangevreten restanten van wat mijn Feyenoord-petje was geweest. Als ik ze niet had gezien, had ik mezelf nog kunnen wijsmaken dat ergens iemand op zijn kamertje het ‘Hand in Hand’ zat te zingen met mijn petje op. Mijn verschroeide petje vertelde een heel ander verhaal en het voelde als een aanslag op mijn club en op het hele Legioen. Dit ging over veel meer dan een petje. Dit was heiligschennis.
Jammer genoeg ben ik nooit te weten gekomen wie de dader was. Dan had ik hem kunnen bedanken. Ongewild heeft-ie het Feyenoord-vuur in mij verder aangewakkerd en er voor gezorgd dat het nooit meer dooft.
Frans
