‘Peter is mijn ideaal’, zingt het meisjeskoor Sweet Sixteen als het in 1960 een hit scoort met ‘Peter’. Peter Houtman is dan drie. Niemand weet dat de geboren Rotterdammer zich zal ontwikkelen tot een ideale voetbalprof.
Een ideale schoonzoon ook, want Peter is altijd vriendelijk tegen iedereen. Geen man van sterke meningen of gepeperde uitspraken. Peter is de vleesgeworden eenvoud. Zo gewoon dat het bijzonder is. Peter is geen coq au vin, maar andijviestamppot met een gehaktbal. Op zijn verjaardag nasi.
Peter is de ideale spits. Hij doet wat-ie moet doen: doelpunten maken. Honderdnegen keer trof hij doel in honderdzevenentachtig wedstrijden voor Feyenoord. Hij scoort graag tegen de aartsrivaal. In De Kuip, in De Meer, met die genadeloze snoeiharde halve omhaal, en in het Olympisch Stadion met een streep uit een vrije trap, zó hard dat de Amsterdamse terreinknecht na de wedstrijd bezorgd kijkt of het net nog heel is.
In Eindhoven verrast hij met een sliding Huub Stevens. Op 6 mei 1984 geeft hij in Tilburg met een vliegende trap de doelpoging van Cruijff een beslissend zetje. Feyenoord is kampioen. Peter is kampioen.
Meest van alles is Peter zijn karakteristieke manier van juichen. Zonder opsmuk. Met één arm in de lucht. De rechterarm. Heel soms ook de linker, maar meestal alleen de rechter. Recht omhoog, alsof hij zich uitstrekt om van geluk de hemel aan te tikken. Het maakt hem nog langer dan hij al is. Een Euromast op benen. De schoonheid schuilt in de soberheid. Geen spurt. Geen sprong. Geen zwaaiende armen. Geen glijpartij op zijn knieën. Geen buikschuiver. Geen dansje bij de cornervlag. Geen fratsen. Gewoon alleen die arm. En een stralende lach, als een kind zo blij. Blij met elk doelpunt voor Feyenoord. Blij Feyenoorder te zijn.
Peter is de ideale Feyenoorder die het leven terugbrengt tot de kern: veel Feyenoord en verder gewoon een beetje lief zijn voor elkaar.
Frans
