Vlak voor de jaarwisseling stijgt Christian Gyan voor de laatste keer boven zichzelf uit: hij gaat naar de hemel. Ik zie voor me hoe Coen Moulijn hem bij de hemelpoort verwelkomt, hem naar een hoge gouden troon leidt en voorstelt aan God.
“Wij kennen elkaar al”, zegt God, die zich wendt tot Gyan: “Welcome home, Chris.” Christian lacht en buigt.
“Is het goed als ik ‘m even rondleid?” vraagt Coen aan God.
“Natuurlijk. Hoe eerder hij hier de weg weet, hoe beter.”
Coen wenkt Gyan: “Kom.”
Coen stelt de Ghanees voor aan diverse mensen. Christian knikt en lacht vriendelijk. Na een poosje vraagt Coen: “Wat vond je er eigenlijk van?”
Gyan lacht: “Yes.”
“Wat vond je van Feyenoord?” probeert Coen nog eens.
“Feyenoord. Great club. Great fans. Great stadium. Created by God”, zegt Gyan.
“Dat mocht-ie willen”, zegt Coen, “De Kuip is gebouwd door J.P. van Eesteren.”
“With Gods help”, voegt Christian eraan toe.
“Oké, dat zou kunnen”, zegt Coen, die het er verder bij laat.
Ze vervolgen hun weg en gaan langs bij Rinus Bennaars, Eddy Pieters Graafland en Carlo de Leeuw. Zij omhelzen de Ghanees die de begroetingen beantwoordt met zijn stralendste glimlach. Als ze een bar passeren, zien zij Marco van den Wildenberg zitten. Hij zwaait. Christian lacht en zwaait terug.
De dag erna gaat Christian op zoek naar Coen. Onderweg ziet hij God op een houten bank zitten. “God, have You seen Mr Moulijn?” vraagt de Ghanees. God knikt in de richting van zijn lege troon. Als Gyan ernaartoe loopt, ziet hij Coen ernaast zitten. Zodra Coen Christian ziet, springt hij overeind. Gyan lacht. Coen gebaart naar de troon en zegt: “Alsjeblieft, Chris.”
“No way”, zegt Gyan, “this is God’s throne.”
“It’s okay, Chris”, hoort hij achter zich.
Coen pakt Christians hand, leidt hem naar de troon en fluistert in zijn oor: “De koning is dood, leve de koning!”.
Frans
