Aan het begin van de avond stappen mijn zus Gina en ik in de trein die ons van Dordrecht naar De Kuip zal brengen. Een oude vrouw lacht vriendelijk als wij tegenover haar plaatsnemen. De vrouw is klein van stuk en heeft grijs, gepermanent haar. Ze ziet er verzorgd uit, alsof ze bij iemand op visite gaat. Ze drukt haar handtas stevig tegen zich aan.
Het is 12 juni 1985. Feyenoord is net klaar met een kleurloos seizoen. In de eerste ronde van de Europacup I is de Rotterdamse landskampioen uitgeschakeld door Panathinaikos. In de competitie lijden we zeven nederlagen. Voor gemiddeld 17.000
toeschouwers speelt Feyenoord onder hoofdtrainer Ab Fafié met nieuwkomers Johan Steur, Johnny Rep en Simon Tahamata niet bepaald de sterren van de hemel.
In de trein is het drukker dan anders. De stemming is uitgelaten, alsof de reizigers op schoolreisje gaan. De zon schijnt. Als de vrouw tegenover ons hoort dat wij het over
De Kuip hebben, vraagt ze: “Gaan jullie allemaal naar het stadion?”. Alsof alle anderen ook bij ons horen.
Wij zijn inderdaad op weg zijn naar het stadion, voor een concert.
“Oh! Daar heb ik iets over gelezen”, zegt ze. “Van die Amerikaanse jongen, toch? Dat lijkt me zo’n lieverd. Hij zingt over zijn jeugd en zo, toch? Bruis Druipsteen heet-ie
of zo, toch?”
Wij schieten in de lach. “Het lijkt erop. Bruce Springsteen”, zegt Gina. De vrouw lacht.
Als de trein arriveert bij De Kuip nemen wij afscheid van de vrouw. Ze wenst ons een fijne avond.
Als we in De Kuip de klim naar de tweede ring van de Maastribune hebben voltooid, moet mijn zus even bijkomen. Ze is vijf maanden zwanger van haar eerste.
We zoeken onze plaatsen op. Voor ons zit een groep jongemannen. Een van hen haalt een kleine verrekijker tevoorschijn en zegt: “’s Effe kijken of ik die kleine rukker al
ken spotten.”
Als The Boss even later het podium betreedt, ontvangt De Kuip hem met een luid applaus.
Die avond speelt ‘die kleine rukker’ de sterren van de hemel.
Hij wel.
Frans
