Er was eens een Rotterdams jochie van vijf jaar oud dat ervan droomde ooit in het eerste van Feyenoord te spelen.
Op een mooie dag wordt zijn droom werkelijkheid.
Hij is keeper van Feyenoord een, speelt voor de club meer dan honderd wedstrijden, wordt kampioen van Nederland en komt in het Nederlands elftal. Geboren en getogen in Rotterdam, Feyenoorder in hart en nieren en de beste doelman van Nederland. Zijn droomclub heeft in hem een droomspeler.
Op een dag gebeurt er iets opmerkelijks.
Een boze tovenaar benoemt hem tot eerste keeper, maar stelt hem niet op.
“Niet wedstrijdfit”, zegt de tovenaar en hij kiest voor een ander.
Wanneer de Rotterdamse jongen overduidelijk wél wedstrijdfit is, blijft de tovenaar vasthouden aan zijn keuze voor de in vrijwel alles mindere keeper. Hij maakt hem zelfs aanvoerder. Een klap in het gezicht van de Rotterdammer. In stilte spreekt hij een vloek uit over de tovenaar.
Teleurgesteld verruilt de Rotterdamse jongen na eenentwintig jaar zijn droomclub voor een club in de Italiaanse Serie A. Feyenoord vraagt voor hem een fooi, alsof de club hem duidelijk wil maken dat hij hem liever kwijt is dan rijk.
In Italië is hij direct inzetbaar. Vijf dagen na aankomst staat hij onder de lat, hij keept uitstekend en helpt zijn ploeg aan de zege. In zijn vierde wedstrijd wordt hij uitgeroepen tot Player of the Match en na zeven wedstrijden op een rij foutloos te hebben gekeept, wordt hij op handen gedragen.
Waar hij opbloeit aan de Italiaanse Rivièra, verdort de boze tovenaar aan de Noordzee.
Het lijkt een sprookje, maar de jongen blijft in gedachten bij zijn droomclub.
Een paar jaar later, als de boze tovenaar al lang is vertrokken, vraagt Feyenoord hem om zijn laatste dagen als doelman te slijten in Rotterdam en daarna bij de club in dienst te komen als keeperstrainer.
In Italië krijgt hij een groots afscheid, in Rotterdam een hartverwarmende ontvangst. Hij keert terug bij zijn droomclub en zij leven nog lang en gelukkig.
Frans
