Als je van Feyenoord houdt, houd je ook van Rotterdam. Dat gaat vanzelf. Nu is dat trouwens makkelijker dan vroeger. Toen vertelde ik aan iedereen dat Rotterdam ‘ech wel’ een ‘gerse’ stad was, terwijl het best wat bruisender mocht. Dat wilde ik alleen van niemand anders horen. Als er afgegeven moet worden op Rotterdam, dan doe ik dat zelf wel, daar heb ik een ander niet voor nodig.
Ik ben weliswaar geen Rotterdammer, ik ben wel van Rotterdam gaan houden. Ik kom er graag. Ook als Feyenoord niet speelt. Rotterdam stelt me nooit teleur. Rotterdam wordt almaar mooier.
Het mooist van Rotterdam is de Rotterdammer. Vooral de oudere Rotterdammer. Recht voor zijn raap en met een hart van goud. Mopperen op zijn stad en ondertussen hartstikke groos.
Vorig jaar zomer geniet ik met mijn zoons in de Euromast van het fenomenale uitzicht, we eten een broodje en kijken naar de thrillseekers die van honderd meter hoogte afdalen van de Euromast.
We nemen de watertaxi naar Hotel New York en daarvandaan wandelen we langs het nieuwe Luxor Theater over de Erasmusbrug richting Blaak. Aan de Leuvehaven nemen we de watertaxi terug naar de Euromast. Mijn oudste zoon vraagt de bestuurder van de watertaxi, een oudere Rotterdammer, of hij voorin naast hem mag komen zitten.
‘Tuurlijk, jongen. Zolang je nie op míjn komp zitte, vinnik ’t best’, zegt deze.
In volle vaart gaan we over de Maas richting Euromast. Als ik bij aankomst afreken, horen wij door de marifoon een vrouwenstem aan de bestuurder vragen: ‘Arie, kom-ie zo een koppie thee drinken?’.
Arie kijkt ons aan, knipoogt, drukt op de knop en antwoordt in onvervalst Rotterdams: ‘Thee is voor homo’s!’.
Frans
