“Hoi, ik ben Frans.”
“Jos.”
Kort nadat ik Sandra leer kennen, stelt ze mij voor aan Jos, haar ex-man en de vader van haar dochters.
Jos is schipper. Op zijn honderd jaar oude klipperaak vaart hij met groepen op het IJsselmeer, de Waddenzee en de Friese meren. ‘s Zomers zeilen Sandra, haar kinderen en ik een week mee. Dat is hard werken. Sandra voorziet de twintig opvarenden van ontbijt, lunch en diner. Ik help haar waar ik kan. Aan dek help ik Jos.
Ik ben snel jaloers. Met Jos heb ik daar geen last van. Hooguit voel ik me een beetje buitengesloten als Sandra en Jos in zeiltaal met elkaar praten.
“Zal ik de fok hijsen?”, hoor ik Sandra vragen. Jos knikt.
“Kluiverboom los!”, roept Jos even later naar Sandra.
Zij begrijpt wel wat hij bedoelt.
Ze hebben het over dirken, gijpen en huiken. Over gaffel, giek en waterstag.
Soms communiceren ze zonder woorden. Sandra zwaait haar hand horizontaal heen en weer voor haar keel. Even later steekt Jos zijn gebalde vuist in de lucht. Zo te zien weten zij feilloos wat de ander bedoelt. Ik gis naar de betekenis van hun gebaren.
Waarom spreken zeilers een taal die niemand anders spreekt? Is het interessantdoenerij? Stuurboord. Bakboord. Zeg gewoon rechts of links. Ik ben opgegroeid met voetbal en Feyenoord. Wij noemen een ingooi een ingooi en een hoekschop een hoekschop. Iedereen begrijpt wat je bedoelt. Je kunt ook ‘inworp’ zeggen. Of ‘corner’. Nog steeds snapt iedereen wat je zegt.
De geheimtaal van Sandra en Jos prikkelt mijn fantasie, merk ik. Ik verzin nieuwe zeilwoorden, zoals het werkwoord ‘sleuven’ en ‘de zwaaiduffel’, een klassiek instrument om de ‘slok’ te ‘sprekkelen’. Ik vind dat grappig en schrijf het op. Misschien leuk voor in een column, ooit.
Als ‘s avonds het werk erop zit en Sandra en ik naar onze hut gaan, denk ik ‘sleef me de flos, ik smuik je de dokkel!’.
Frans
