“Onsmakelijk! Echt walgelijk gewoon”, zei mijn toenmalige klant Hans over een lied dat hij enkele dagen ervoor op tv had gehoord bij een wedstrijd van Feyenoord. Hans ontkende altijd zijn sympathie voor die club uit Amsterdam, maar zijn antipathie tegen Feyenoord was overduidelijk. In zijn ogen was ik de verpersoonlijking van Feyenoord en dus moest ik het ontgelden als-ie weer wat over onze club te mekkeren had.
“Wat zongen ze dan?”, vroeg ik, terwijl ik dat dondersgoed wist, want ik was erbij geweest. Sterker nog: ik had minutenlang hardop meegezongen.
“Dat Sylvie Meis het wijf is van Van der Vaart en dat ze haar centen verdient op straat. Waarom zingen jullie nou nooit eens gewoon iets moois”, vroeg Hans, “zoals in Engeland en Schotland? Daar is het tenminste niet zo’n primitieve stammenstrijd zoals bij jullie. Als ik hoor hoe de supporters daar zingen, daar kan ik echt van genieten.”
“Ik ook”, beaamde ik. “Ben je wel eens bij the Old Firm geweest?”
Nee, daar was Hans nooit geweest, maar het zingen tijdens wedstrijden tussen de Rangers (protestanten) en Celtic (katholieken) vond hij schitterend.
Ik vertelde hem dat ik er diverse keren was geweest en ik vroeg hem of hij het lied ‘The Billy Boys’ kende.
Nee, dat kende hij niet.
“Het gaat zo”, zei ik en ik sprak de tekst regel na regel uit:
‘Hello! Hello! We are the Billy Boys
Hello! Hello! You’ll know us by our noise’
Hans lachte.
Ik vervolgde met: ‘We are up to our knees in fenian blood, surrender or you’ll die, for we are the Bridgeton Billy Boys’
Ik zag aan Hans’ gezicht dat hij geen idee had wat ik zong.
“Weet je wat ze hier zingen?”, vroeg ik.
Nee, dat wist Hans niet.
“We staan tot onze knieën in katholiek bloed, geef je over of je sterft.”
Ik zag Hans schrikken. “Oh. Echt? Dat wist ik niet.”
Daarna heb ik nooit meer last gehad van Hans.
Frans
